Mauritius: dodo op kerkhof

mauritius

De Volkskrant, Traject

Mauritius: de dodo ligt op een kerkhof

JOEP AUWERDA

Mauritius heeft geen ebbenhout meer. En ook geen dodo’s. Dat is de schuld, zeggen de bewoners, van de Hollanders die het eiland vierhonderd jaar geleden in bezit namen….

BIJ HET politiebureau stapt een wat verlegen agent bij ons in de auto. Hij zal de weg wijzen naar het kerkhof. Het Hollandse kerkhof, zeggen de mensen in Vieux Grand Port. We rijden over kronkelende rode zandweggetjes, langs suikerrietvelden, frisse moestuintjes en passeren rietkappers, op weg naar huis.

Aan de voet van de Lion Mountain, op een lichte glooiing, liggen twee soorten graven: naamloze, rechthoekige bergen stenen – waaronder je iemand begraaft als je geen materiaal of gereedschap hebt om er iets moois van te maken, en strakke graven, opgetrokken uit rechte basaltplaten, waarin namen zijn uitgehakt, Franse namen. De enige Hollandse naam dateert van na 1710 – het jaar waarin de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) haar nederzetting opgaf en haar mensen terughaalde.

De winter loopt ten einde op Mauritius, het is warm. De enige koelte op de begraafplaats is te vinden onder de grote boom in het midden van het kerkhof. Over een paar uur zullen grijze wolken zich in een oogwenk boven de kust nestelen en hun tropische buien loslaten.

Liggen er onder de anonieme steenhoopjes in Vieux Grand Port werkelijk VOC’ers? Archeologen durven er hun hand niet voor in het vuur te steken. Maar op dit eiland liggen – waar dan ook – vele Hollanders begraven. De eerste Hollandse zeelui die op 18 september 1598 het vulkanische eilandje in de Indische Oceaan aandeden, noemden het een vruchtbaar en gezond eiland. Dus toen de eerste nederzetting vorm kreeg (pas in 1638 kwamen er permanente bewoners) leek het een goed idee om behalve serieuze zeelui, uitschot en gevangenen ook ernstig zieken naar Mauritius mee te nemen. Die zouden, dacht de VOC, er vast snel opknappen en dan kunnen helpen bij het kappen van ebbenhout, het inzouten van dodo’s en de bouw van een fort. De helft van de zieken stierf echter snel na aankomst.

Prince Maurice heet het hotel dat aan de oostkust in aanbouw is. Elke dag verschijnt een compleet leger bouwvakkers. Eind dit jaar moet het hotel klaar zijn, een tophotel dat nog luxer zal worden dan Royal Palm, waar president Mandela logeerde (de verbouwing werd er speciaal voor stopgezet) toen hij onlangs op het eiland was om de South African Development Committee voor te zitten. Mocht hij ooit de presidential suite van Prince Maurice boeken dan zal dat vijfduizend dollar per nacht gaan kosten. Wel met eigen bediening en privé-zwembad.

Het toerisme is na het suikerriet de tweede bron van inkomsten op Mauritius. Vlak nadat het land onafhankelijk werd van Engeland in 1968, is voortdurend gewerkt aan het opzetten van een infrastructuur. Met succes: zochten aanvankelijk nog veel Mauritianen uit angst voor een economische malaise hun heil in het buitenland, al snel bleek dat het land uitstekend zijn eigen boontjes kon doppen, onder andere door de nieuwe textielindustrie en het vrijhandelsgebied dat belastingvoordelen biedt aan buitenlandse investeerders die de productie op Mauritius concentreren. Het eiland heeft de best draaiende economie van Afrika, hoewel het de vraag is of je Mauritius een Afrikaans land mag noemen, met zijn oriëntatie op de Indische Oceaan, op India, China en de rest van Azië.

Mauritius mikt op de top van de toeristische markt. Veel rijke Zuid-Afrikanen, Fransen, Engelsen, mensen van Réunion en Duitsers zijn bereid te betalen voor de vele drie- tot vijfsterren hotels. Charters zijn niet welkom. Dat verklaart misschien waarom de meeste van de tweeduizend Nederlanders, die jaarlijks komen, zakenlieden uit de textielindustrie zijn. De vlucht en twee weken hotel kosten vier- tot vijfduizend gulden en dat is de Nederlandse toerist een beetje te gortig. Toch ziet Thika-travel, een Nederlandse specialist in Mauritius (ongeveer 300 boekingen per jaar) mogelijkheden. Directeur Joost Tania: ‘Mensen die een duur ticket kopen, gaan niet kamperen of in goedkope pensionnetjes zitten. Er is genoeg geld in Nederland. Lager dan een driesterren-hotel bieden we in onze folder niet aan. Je krijgt er iets exclusiefs voor, schitterende stranden, een malariavrij gebied, vreselijk aardige mensen, een niet te heet klimaat en een land dat nog niet verpest is door het toerisme.’

De eigenaar van restaurant Domaine du Chasseur is geboren op Mauritius en heeft een Ierse vader en een Franse moeder. ‘Alleen een stijfkop met Iers bloed als ik verzint het om voor het eerst in de geschiedenis een toeristische onderneming te starten die niet vlak aan de kust staat, maar juist in de bergen.’ Vanuit het restaurant heeft de gast een sprookjesachtig uitzicht op de baai en de omringende bergen. Onder een staalblauwe lucht kleurt het water – afhankelijk van de lichtinval en het leven op de zeebodem – grijs, bruin, turkoois, zwembadblauw of donkerblauw. Golven die door het koraalrif gebroken worden, vormen een schuimende, witte streep. Aan de lange onderbreking is te zien waar het rif zich opent en een veilige poort vormt voor schepen. Hier in het zuidwesten vond Warwijck, commandant van vijf schepen, in 1598 een van de zeldzame natuurlijke havens op Mauritius. Hij gaf de baai zijn eigen naam, maar die naam was geen lang leven beschoren. Het eiland noemde hij naar stadhouder prins Maurits van Oranje, wat wel een langdurig effect heeft gehad.

De Mauritiaanse Ier excuseert zich, hij moet zo meteen naar de minister van Toerisme en Vrije Tijd. Staand, de handen op een rugleuning van een stoel, vertelt hij wat zijn bedrijf te bieden heeft. Een farm bijvoorbeeld, waar palmen gekweekt worden voor de consumptie van palmhart. In de bossen lopen vijftienhonderd herten rond, waarvan de voorouders ooit per VOC-schip van Java naar Mauritius gevaren zijn. Wie vijftienhonderd Franse francs neertelt, mag meewerken aan het wildbeheer door een jong van een jaar oud dood te schieten. Een grote kop aan de muur kost vijftienduizend franc. Op een wandeling met een gids kun je de kestrel bezichtigen, een vogelsoort waarvan op zeker moment nog maar vier mannetjes en een vrouwtje in leven waren. Nu heeft de populatie aanzienlijk meer kans dat zij niet het lot van de uitstervende dodo hoeft te dragen.

Sporen van de Hollandse aanwezigheid zijn schaars. De Hollanders zitten voornamelijk in het collectieve geheugen van de bevolking als de massamoordenaars van de dodo. Zeg dat je uit Nederland komt en iedereen begint over die vogels. Een enkeling heeft een genuanceerd verhaal en geeft de ratten en de varkens de schuld, die de dodo’s opvraten. (Die zoogdieren zijn overigens bewust en onbewust geïmporteerd door de Hollanders.) Dat de Hollanders bijna al het ebbenhout kapten, is ook algemeen bekend.

Een blik op de kaart levert Hollandse namen op: Surinam, een plaatsje aan de kust, Pieter Both, de op een na hoogste berg (823 meter), vernoemd naar de eerste gouverneur-generaal van de VOC, en regio Vlacq, een Franse verbastering van vlakte. Restanten van het fort Frederik Hendrik aan de zuidoostkust vormen het belangrijkste historische erfgoed. Archeoloog Pieter Floore vond vorig jaar Hollandse steentjes, munten, pijpenkoppen en porselein. De opgraving is tijdelijk onder het gras verdwenen, maar over een paar maanden wordt het werk hervat.

Het Naval and Historical Museum in Mahébourg staat rondom in de steigers. Overal klinkt getimmer, geboor en geschuur. Op het bordes voor de ingang liggen zes kanonnen, waarvan er een in zes stukken is gebarsten. Na berging uit zee is verzuimd het te ontzilten en sprong het uit elkaar.

De Franse museuminrichter Emanuel Richon – verf op de vingers – heeft het druk, druk, druk. De opgezette schildpad in de Hollandse zaal van het museum moet worden bijgewerkt. Richon is een artiest: het doek van de dodo, dat in een ander museum hangt, heeft hij eigenhandig nageschilderd, inclusief de barstjes in de verf. Ook de etsen van oude zeekaarten reproduceerde hij zelf. Hij zou graag nog een stukje echt suikerriet in een vitrine hebben liggen.

Ongeveer veertig procent van het tropisch eiland in de Indische Oceaan is bedekt met talloze soorten suikerriet, maar het riet dat de Hollanders in 1639 vanuit Batavia introduceerde, groeit er niet meer. Althans niet op Mauritius. Op Réunion wordt het nog volop verbouwd. Dat er nu alleen maar een tekening van het Hollandse riet in het museum ligt, komt door de strenge regels: buitenlands riet moet eerst twee jaar in quarantaine worden gehouden voor het Mauritius in mag.

Richon is laaiend op het scheepvaartmuseum dat hem geen spullen wilde lenen. ‘Waarschijnlijk zijn ze bang dat we het materiaal slecht behandelen. Onzin, we werken echt professioneel.’

Zes dagen later is het museum klaar voor de officiële opening door prins Maurits die een paar weken geleden samen met Marilène een bezoek bracht aan Mauritius. Drie dagen lang werd herdacht dat de Hollanders vierhonderd jaar geleden voor het eerst aanlegden aan de zuidoostkust.

Maurits opende alleen de Hollandse zaal. De afdelingen over de Franse en Britse koloniale tijd worden later ingericht. De kanonnen hebben een verfje gekregen, de zes stukken van het gebarsten kanon liggen slordig naast het bordes. En: er is een langdurige vergissing de wereld uitgeholpen. Onder het portret van Johan Maurits van Nassau-Siegen, kolonisator van Brazilië, stond jarenlang de naam van stadhouder Maurits. Nu hangt prins Maurits zelf aan de muur.

3 oktober 1998

 

Geef een reactie